Voor de vijfentwintigste keer stroomde afgelopen zaterdag de wereld binnen in het Tivolipark te Mechelen. Jaarlijks trapt het Ottertrotterfestival er de Mechelse zomer in gang, met lekkernijen uit alle windstreken en met muziek. Naast TheColorGrey was Bombino dit jaar de headliner. Al in 2013, toen de woestijnbluesgitarist uit Niger volledig doorbrak met de plaat Nomad, probeerde de organisatie hem naar de Dijlestad te lokken, maar een charmant Limburgs festivalletje genaamd Pukkelpop stak daar een stokje voor en plaatste hem exclusief op hun affiche. Vijf jaar later heeft Bombino net een gloednieuwe plaat uitgebracht, Deran, en maakt hij wel zijn opwachting in Mechelen.

‘Deran is echt een wens van vrede,’ zegt Bombino ons in het Frans wanneer we hem backstage ontmoeten. ‘Het is een uitspraak van mijn volk, de Toeareg. Je wenst elkaar dagen vol rust toe, dagen waarop je je vrij kan voelen.’ Voor de opnames keerde hij voor het eerst terug naar Afrika, na platen te hebben opgenomen in de Verenigde Staten. Zijn geboortegrond blijft hem nauw aan het hart liggen. ‘Door de muziek heb ik de kans gekregen om op tournée te gaan, om te reizen. Terwijl de streek waar ik vandaan kom veel problemen kent. In de woestijn waar ik ben opgegroeid, is water natuurlijk het grootste probleem. Toen, in de jaren tachtig, maar nu nog steeds. Die situatie wil ik verbeteren.’

Bombino is dus een muzikant met een missie, die een universele boodschap met ons wil delen. Toch zingt hij uitsluitend in zijn moedertaal, het Tamasheq. Staat dat zijn missie niet in de weg? Bombino schudt zijn hoofd. ‘Ik woon nog steeds in Afrika, en mijn boodschap is altijd duidelijk. Het is een boodschap van vrede, van broederschap, van vriendschap, van liefde.’ Zingen in het Engels of het Frans is geen optie voor hem. ‘Dat is nog nooit gebeurd. Als ik mij wil uitdrukken, moet dat in mijn eigen taal. De taal van…’

‘Van je hart?’

‘De taal van mijn hart. Ik kan me beter uitdrukken in mijn moedertaal dan in een andere taal. Ik begrijp ook wel andere talen, maar… In mijn eigen taal biedt het meer rust.’

Op het podium zet het Antwerp Gipsy-Ska Orkestra zijn voorlaatste nummer in. Bombino rekt zich uit in de sofa en eet een handvol zuurtjes. Zo meteen is het aan hem. ‘Muziek is voor mij echt begonnen toen ik tien of elf jaar was. Mijn doel was toen om mijn eigen cultuur te leren kennen, de cultuur waarin ik geboren ben. De Toeareg wonen in verschillende landen: wij komen uit Niger, anderen uit Libië…’. Gitaar spelen hoorde daarbij, en betekende voor hem vooral iets spannends. ‘Zo’n gitaar is groot, is snel… Gitaren klinken ook anders waar ik vandaan kom. In de woestijn vind je enkel die eenzaamheid en die open ruimten… Dat geeft je zin om gitaar te leren spelen.’

Toch is zijn muziek niet honderd procent Afrikaans te noemen. Al snel slopen er immers ook andere culturen zijn wereld binnen. ‘Toen ik gitaar leerde spelen en bij mijn neven op bezoek ging, toonden ze me telkens videocassettes van Dire Straits. Ik keek, ik luisterde en ik probeerde een beetje te ontwikkelen wat ik kon en wat ik zag.’ Daar is hij uiteindelijk met verve in geslaagd. 

Iedereen herkent dus wel iets in de grote smeltkroes aan stijlen die Bombino op onweerstaanbare wijze aan de kook brengt. ‘Voor mij is het een mengeling van alle muziek die er was toen ik in de woestijn woonde. Ik luisterde naar wat dan ook, en dat zit nu ook allemaal in mijn muziek: Toearegmuziek, blues, reggae, takamba, tende… Je moet gewoon de juiste verbinding vinden. Mensen komen naar ons toe en luisteren, ook al begrijpen ze niet wat we zeggen, maar er is de muziek die hen aantrekt. Dat is het belangrijkste.’